Terug

SLECHTE LOPERS

Een slechte loper is een loper die tegen zijn eigen pionnen aankijkt en die daardoor ernstig wordt belemmerd in zijn bewegingsvrijheid. Bij SC Groningen hadden we een speler die als een ware artiest er steeds weer in slaagde zichzelf een slechte loper te bezorgen. Neem b.v. het volgende diagram, het maakte indertijd diepe indruk op mij:

 

 

Wit aan zet moet iets aan zijn loper doen, de juiste manier is natuurlijk 1.f3 om na 1...g3 zijn loper om te spelen naar de diagonaal g1-a7. Onze man speelde echter 1.g3?? en na 1...f3! was zijn loper voorgoed begraven.

 

Nog een voorbeeld van een goede loper tegenover een slechte loper: ZIE DIAGRAM

 

De loper op e3 is een dood stuk hout, die kan niets. De loper op e4 is daarentegen een moordenaar die alles controleert.

 

Uiteraard is het nadelig om een slechte loper te hebben, maar zolang er nog veel stukken op het bord staan is er eigenlijk nog niets aan de hand. Zo is er b.v een variant in het Hollands – de Stonewall - waarin zwart zichzelf vrijwillig opzadelt met een slechte loper:

 

1.d4 f5 2.c4 e6 3.Pf3 Pf6 4.g3 d5 5.Lg2 c6 6.0-0 Ld6 ZIE DIAGRAM

 

 

Hier wordt de loper op c8 alom als ‘slecht’ beschouwd. Maar daar kijkt niemand minder dan Kramnik heel anders tegenaan. In zijn visie kan de loper op c8 moeiteloos nuttig gemaakt worden, via d7-e8 naar h5, of via b7-b6 en Lb7. Sterker nog: volgens Kramnik is de loper op g2 nauwelijks beter dan die op c8!

 

Vaak zie je spelers uit alle macht proberen om hun zogenaamde slechte loper te ruilen tegen de goeie loper van de tegenpartij. Maar vaak komen ze dan van de regen in de drup. Twee voorbeelden:

 

Seirawan-Ivantsjoek, Groningen 1997

1.d4 Pf6 2.c4 g6 3.Pc3 Lg7 4.e4 d6 5.Ld3 e5 6.d5 a5 7.Pge2 Pa6 8.f3 Pd7

Ter voorbereiding van zwarts volgende zet.

9.Le3 Lh6?

Daar gaat de slechte loper. Het idee is 10.Lxh6 Dh4+ en 12...Dxh6.

10.Dd2 Lxe3 11.Dxe3 c6 12.Dh6!

Er is geen loper meer om al die gaten op de koningsvleugel te controleren.

12...Pdc5 13.Td1 Db6 14.Lb1!

Brengt dxc6 in de stelling, waarna de toren d6 aanvalt. Merk op dat de witte loper op b1 ontzettend slecht is, maar wit heeft die loper helemaal niet nodig!

14...Ke7 15.f4!

De witte aanval is overweldigend, zwart komt er niet meer aan te pas. Zelfs een topper als Ivantsjoek kan zich dus verkijken op de positionele nuances van de slechte loper.

15...exf4 16.Tf1 Tf8 17.Dxf4 f6 18.dxc6 Dxc6 19.Pd4 De8 20.Pd5+ Kd8 21.Dxd6+ Ld7 22.Pb5 1-0

 

Ivkov-Byrne, Havana 1966

1.e4 e6 2.d4 d5 3.Pc3 Lb4 4.e5 Pe7 5.a3 Lxc3+ 6.bxc3 b6 7.Dg4 Pg6 8.h4 h5 9.Df3 La6

Ruilt zijn slechte loper en probeert daarna aan te tonen dat wits loper op c1 ook ‘slecht’ is. Maar dat lukt niet, die loper werkt straks volop mee aan de mataanval.

10.Lxa6 Pxa6 11.Lg5! Dd7 12.a4 Dc6 13.Pe2 Dc4 14.0-0 c5 15.Tfd1 cxd4 16.cxd4 Dxc2 17.Tac1 De4 18.Da3!

Offert een stuk voor winnende aanval.

18...Dxe2 19.Dd6!

Dreigt Dc6+ en Dxa8.

19...Tb8 20.Dc6+ Kf8 21.Dc8+ en 1-0, zwart gaat mat.

 

Twee klassieke gevallen van ‘operatie gelukt, patient overleden’. Moraal van dit verhaal: til niet te zwaar aan uw slechte loper, pas in het eindspel wordt het echt een nadeel.

 

Dan nog een curieus fragment. In plaats van de slechte loper is er ook nog de ‘volkomen belachelijke loper’, maar soms is dat alleen maar schijn. Neem het volgende fragment, waarin zwart zijn loper tijdelijk op sterk water zet. ....Het spreekt voor zich, dat alleen briljante spelers als David Bronstein een zet als 11....Lg8! kunnen verzinnen.

 

Porreca-Bronstein, Belgrado 1954.

 

 

 

Een lastige stelling voor zwart. 11...e6 is niet aantrekkelijk wegens offers op e6, en na 11...0-0-0 kan wit gewoon op f7 slaan. Bronstein komt met een opmerkelijke oplossing:

 

11...Lg8!!

Je moet er maar opkomen, een gewone sterveling schaamt zich voor zo’n zet.

12.Pd3 e6 13.Lf4 Ld6 14.Lxd6 Dxd6 15.Pf5 Df8 16.Df3 0-0-0 17.Pg3 Lh7!

Zwart heeft alles gerepareerd en zijn stukken staan weer normaal.